Еerste hoofdstuk

Proloog

… Maar weinig inwoners van ons dorpje durfden de paden van het verre bos te bewandelen – ze waren bang om te verdwalen in het dichtbegroeide struikgewas. Degenen, die daar wel waren geweest, vertelden dat in het midden van het bos een oude den groeide, groter dan alle andere bomen en dat zijn stam, de omvang van vijf omhelzingen, helemaal bedekt was met zoete bubbels van opgedroogde hars.

Op een dag barstte de dennenstam van ouderdom. De gerimpelde bast kraakte, de bubbels schoten als oranje vlooien weg en in de stam werd een diepe spleet geopend.

De dakloze wespen vlogen als eersten op het ontstane hol af. Eindeljik een meevaller na een lange zwerftocht! Prins Wesp beval het hol te bezetten en er honingraten in te bouwen. Alle wespen juichten uitbundig.

Tegen de tijd dat de verkenners uit de mierennest het hol bereikten, was het wespenleven al volop in gang – de honingraten werden als torenhoge gebouwen opgestapeld, terwijl de hardwerkende wespen hen opvulden met stuifmeel, van de ene naar de andere cel vliegend. De wespenbewakers lieten de mieren niet eens voorbij de wortels van de boom.

Ondertussen sloop prins Wesp met zijn onderdanige volgelingen het territorium rond – hij zocht uit wat er rondom hem gebeurde en wie er in zijn buurt woonde…

1.1.

Op een vroege vrijdagavond keerde een lieveheersbeestje, oma Lumanau genaamd, terug naar huis van haar werk. Ze werkte als koningin in het petieterige koninkrijk der Lieveheersbeestjes.

Ze wandelde het paadje af, temidden van het hoge gras, terwijl ze met haar tas zwaaide en liedjes neuriede.

Ver weg, aan het eind van het paadje, verschenen er drie kleine rode vlekjes. Ze bewogen om ter snelst richting oma en schreeuwden iets onbegrijpelijks. Ze deden oma aan iemand denken.

– Dat zijn waarschijnlijk mijn kleinzonen – Loepsie, Loerrie en de kleine Loe! – veronderstelde oma. Ze had geen bril, maar wel slechte ogen. Maar toch had ze zich niet vergist!

Haar drie kleinzonen renden haar tegemoet – de kleine lieveheersbeestjes Loepsie-Loerrie-Loe!

Een grote rode vlek holde achter de kinderen aan. Die was wat ronder en wat groter.

“En dat is waarschijnlijk mijn man – opa Lupirad,” veronderstelde oma. En weer eens kreeg ze gelijk!

De vlekjes kregen gauw genoeg van al dat rennen. Ze vlogen de lucht in en begonnen gezamenlijk met hun vleugeltjes te klapperen. Ze kwamen steeds dichterbij. “Ze zullen me vast gemist hebben, terwijl ik op het werk was,” besloot oma. ¨Ze willen me vast een kus geven.¨

Maar recht voor oma’s neus maakten opa Loepirad en de kleinzoontjes een scherpe draai en vlogen de andere kant op.   “Hallo,” riep oma Loemanau hen achterna, “hebben jullie me dan niet gezien?”

“Natuurlijk wel! We hebben je immers erg gemist en wilden jou graag een kus geven. Maar dan beseften we plotseling dat we er direct vandoor moesten!” riep opa Loepirad, vanuit de lucht.

“Voordat we alles verklappen!” verklaarde Loepsi, de oudste kleinzoon.

“Anders kom je over onze verrassing te weten!” voegde Loerri, de middelste kleinzoon, eraan toe.

“Voor je verjaardag!” riep Loe opgewekt, de kleinste van het drietal.

“Ach! Dat was ik nu helemaal vergeten!” zuchtte oma.

“Gelukkig zijn wij het niet vergeten. Wij gaan je eens goed in de bloemmetjes leggen! Jongens, volg mij!” beval opa Loepirad. Zijn pootjes wezen richting zee en de kinderen vlogen er in volle vaart naartoe. De golven glinsterden in de zon. “Tot zo, oma!” riep Loepsi.

“Straks zal je cadeau klaarstaan aan de oever!” riep Loerrie.

“En het is een heel mooie…” de kleine Loe herpakte zich en zweeg. Hij giechelde beschaamd, want hij had zich bijna versproken.

“Komaan, zeg op!” zei oma, “Wie is er zo een mooi geschenk? Of liever wat?” vroeg de nieuwsgierige oma. Ze wou zo snel mogelijk weten wat haar cadeau zou zijn!

De kleine Loe opende zijn mond, maar na een blik op zijn oudere broertjes te werpen, bedekte hij hem giechelend met zijn pootjes.

Loepsie en Loerrie vlogen naar het giechelende kindje toe en voerden hem weg, achter opa Loepirad aan. Oma Loemanau zuchtte teleurgesteld. Welk geschenk zou er op haar wachten?

¨Ik zal snel naar huis vliegen,¨ besloot ze. ¨Daar zal ik uitnodigingen schrijven voor mijn verjaardag, waarna ik naar het strand zal gaan. Ik zal vanachter een struik een blik werpen op mijn cadeau, zodat niemand mij in de gaten krijgt.¨

Oma Loemanau sloeg haar vleugeltjes open en zweefde naar boven. De kortste route van haar locatie naar het Paarse huisje lag vlak boven het smalle Gele pad.

Op een doordeweekse dag was het erg druk op het paadje – de postsprinkhanen sprongen er rond, de kakkerlakken liepen met een zakelijke air heen en weer, de hardwerkende kevers sleurden zware zandkorrels en steentjes en, natuurlijk, waren de bewoners van het konikrijk der Lieveheersbeestjes – lieveheersbeestjes, wantsen, muggen, beestjes – talrijk aanwezig.

Wanneer oma Loemanau daarboven vloog, lag het er verlaten bij. Ze bewonderde het wegje in muggenvlucht. Het leek alsof iemand een geel lintje had laten vallen temidden van het krullende gras.

¨Oei-oei-oei!¨ weerklonk plots in de stilte. Wat is er aan de hand?

Oma Loemanau hield haar vleugels stil, zodat het zoemgeluid ervan, de uitroepen niet zou overstemmen.

¨Ai-ai-ai!¨ aan de zijkant de weg, onder een paardenbloemenstruik, huilde iemand tranen met tuiten. Het lieveheersbeestje dook naar de grond.

Een vreemde, kleine Mug, die op een blad van een paardenbloemstruik zat, wreef de tranen, die over haar grijze wangetjes rolden, weg met een pluisje.

¨Wat moet ik doen? Wat moet ik nu doen? Mijn huisje is opgegeten! Oh-oh-oh! Oei-oei-oei!¨ mompelde ze. Oma Loemanau probeerde te weten te komen, wie het huisje van de Mug had opgegeten en hoe deze tragische gebeurtenis plaats heeft gevonden, maar tevergeefs. Het bleek niet zo gemakkelijk om de Mug gerust te stellen. Als antwoord op oma’s vragen, snikte de Mug slechts: ¨Ai-ai-ai! Oei-oei-oei!¨ en barstte opnieuw in tranen uit.

Moeilijk om voor te stellen hoe deze zaak geёindigd zou zijn, als de tweelingkakkerlakken Gosha en Senja niet op het Gele pad zouden zijn opgedoken. Zij zouden de oplossing wel vinden, de broertjes waren immers heel handig.

Toen ze oma Loemanau in de gaten kregen, bewogen beiden om de beurt met hun snorretjes. ¨Dag oma!¨  groette Senja haar.

¨Dag oma!¨ groette Gosha haar.

¨Vandaag is…¨ begon Senja.

¨… dit al de achtste Mug!¨ eindigde Gosha.

¨Ze zijn zo’n huilebalken!¨ schudde Senja met zijn snor en beval de Mug op een strenge toon: ¨Stop meteen met huilen…¨

¨… of we gaan voor jou geen nieuwe huis bouwen!¨ waarschuwde Gosha haar op een even strenge toon.

¨We maken nieuwe huisjes voor hen…¨ vertelde de trotse Senja.

¨… op de weide achter het Prikkelige bos,¨ verduidelijkte Gosha. ¨Het zal al gauw een hele dorp worden onder de naam Mug,¨ stoefte hij.

¨Natuurlijk wel,¨ beaamde Senja, maar versprak zich kort daarna: ¨Als prins Wesp niet stopt met de arme stakkers te tiranniseren!¨

¨De bandiet!¨ riep Gosha verontwaardigd uit.

¨Waar komen die schurken toch vandaan?¨ vroeg Senja ontstemd.

¨Inderdaad, waar komen ze toch vandaan?¨ stemde oma gewillig in, waarna ze plots tot de conclusie kwam dat ze… ¨Prins Wesp? Eigenlijk heb ik nog nooit van hem gehoord! In onze omstreken ken ik niemand die die naam draagt!¨

¨Hij is… Hij woont ook niet in onze om… om… omstre-e-e-e-eken!¨ deelde de Mug, door de tranen heen, mee. ¨Hij komt uit het ve…ve…verre bo-o-o-o-o-s!¨ en weer begon de Mug te snikken.

¨Geen huisje voor jou!¨ dreigde Senja met zijn pootje. De Mug werd stil en begon haar verhaal:

¨Niemand weet hoe prins Wesp in ons bos is beland. Bovendien is hij niet alleen, maar heeft hij de hele wespenzwerm meegebracht! Hij bezette het nieuwe hol en begon daar een royaal leventje! Zijn gestreepte soldaten verjoegen de andere muggen uit hun huisjes en aten die op! Dan hebben ze ook mij verjaagd en hebben ze mijn huisje opgegeten, net als die van de anderen! Dat was de beste framboos in de wereld! Ai-ai-ai!¨

¨Geen zorgen, lieve Mug!¨ oma Loemanau gaf haar een dikke knuffel en streek haar over haar glanzende hoofdje. ¨Je kunt bij ons komen wonen! Kijk, daar is er een frambozenstruik! Zie je hoeveel framboosjes er groeien? Je kan eender welke kiezen!¨

De Mug wees met haar pootje naar de dichtstbijzijnde, die nog niet helemaal rijp was en nog groen zag.

¨Ik wil zo één! Ik wil zo één!¨

¨Natuurlijk, mijn liefste!¨ stelde oma haar gerust. ¨De wantsen zullen die uithollen en dan zal je weer een gezellig huisje hebben!¨

Oma haalde een fluitje uit haar tas om met de speciale code de wantsenkudde op te roepen, maar dan haalden de kakkerlakken beledigd hun snorren op.

¨Wat met ons dorp de Mug? We bouwen huisjes met doornen, waarvan er meer dan genoeg is in het Prikkelige bos. Genoeg voor alle muggen uit het Verre bos! Bovendien kan niemand een huis opeten dat gemaakt is uit doornen.¨

¨Niemand zal die opeten, zeg je?¨ de Mug begon in haar geluk te dansen op een blad van de paardenbloem. ¨Ik wil zo’n huisje! Ik wil een doornenhuis!¨

¨Het spijt me, mijn beste kakkerlakken!¨ verontschuldigde oma zich beschaamd. ¨De Mug begon over haar framboos te vertellen en ik moest meteen aan de wantsen denken…¨

¨Alles is in orde! We zijn niet boos!¨ overtuigden de kakkerlakken het oudje en samen met de Mug vertrokken ze naar het dorp de Mug om een doornenhuisje te bouwen.

¨Ik verwacht jullie morgen op mijn verjaardag! Op de Grote weide, zoals altijd!¨ riep oma Loemanau hen achterna. De kakkerlakken zwaaiden met hun snorretjes en pootjes.

Terwijl de koningin op topsnelheid naar huis vloog, ging er maar één gedachte in haar hoofd om, als een opdringerige mug:

wie is die prins Wesp toch? Wie is het?

Geef een reactie